Branderigheid, aandrang, slappe straal: waar wijst wat op
Een huisarts luistert naar plasklachten op een manier die u zelf kunt leren. Niet om een diagnose te stellen, wel om in tien minuten spreekuur het juiste te vertellen.
De meeste mannen die met plasklachten bij de huisarts komen, beginnen met een zin die te weinig zegt. “Ik plas slecht.” “Het brandt.” “Ik moet steeds.” Dat is begrijpelijk, want het lichaam levert nu eenmaal geen bijsluiter mee. Maar de arts hoort in die zinnen iets anders dan u erin legt. Hij of zij sorteert ze meteen in categorieën, en de categorie bepaalt welke vragen daarna komen.
Dit stuk laat zien hoe die sortering werkt. Niet om u de diagnose te laten stellen — dat kan niet, en wij zijn schrijvers en geen artsen — maar omdat een goed beschreven klacht sneller op de juiste stapel belandt.
Twee families klachten
Alles wat er met het plassen mis kan gaan, valt bij benadering in twee groepen uiteen. De eerste groep gaat over de afvoer. Het duurt lang voordat de straal op gang komt, u staat te wachten terwijl er niets gebeurt. De straal zelf is slap, of hij valt halverwege stil en komt daarna weer op gang. Na afloop komen er nog druppels, soms pas als de broek al dicht is. En achteraf blijft het gevoel hangen dat de blaas niet werkelijk leeg is. Dit heten obstructieve klachten, en de naam zegt het al: er zit iets in de weg, of het afvoerkanaal is nauwer dan het was.
De tweede groep gaat over prikkeling. Aandrang die plotseling opkomt en die zich niet laat uitstellen. Vaak moeten, maar telkens kleine hoeveelheden. ’s Nachts een of meer keren uit bed. Branderigheid tijdens het plassen. Dit heten irritatieve klachten. Hier is de blaas of de plasbuis geprikkeld, en een geprikkeld orgaan meldt zich eerder dan een rustig orgaan.
Het praktische nut van deze tweedeling is dat de weegschaal iets verraadt. Overheersen de obstructieve klachten en zijn ze in jaren opgekomen, dan denkt de huisarts als eerste aan een prostaat die om de plasbuis heen dikker is geworden — waarom uitgerekend die plek zo ongelukkig ligt, staat in ons stuk over wat de prostaat eigenlijk doet. Overheersen de irritatieve klachten en zijn ze er in enkele dagen bij gekomen, dan gaat het denken eerst naar een ontsteking. Zijn beide families aanwezig, wat vaak zo is, dan telt welke van de twee het meest hindert.
Uw klacht is de helft van het verhaal. De volgorde waarin de klachten zijn ontstaan, is de andere helft, en die vergeten de meeste mensen te vertellen.
Let ook op wat u vanzelf bent gaan doen. Mannen passen hun leven aan lang voordat zij het een klacht noemen: eerst even naar het toilet voordat de auto de weg op gaat, achterin de zaal gaan zitten, op reis minder drinken. Zulke aanpassingen zeggen meer over de ernst dan een cijfer, en ze vallen buiten de standaardvragen.
Wat het tijdstip van de pijn verraadt
Pijn in dit gebied is voor de arts pas informatie als erbij staat wanneer hij optreedt. Drie tijdstippen worden verschillend gelezen.
Pijn of branderigheid tijdens het plassen. Urine passeert dan een oppervlak dat geprikkeld of ontstoken is. Dat wijst richting de plasbuis of de blaas. Komt dit in dagen op, is het scherp, en gaat het samen met troebele of sterk ruikende urine, dan is een urineonderzoek het eerste wat er gebeurt.
Pijn na de zaadlozing. Dit wordt zelden uit zichzelf genoemd, deels uit schroom, deels omdat men het verband niet vermoedt. Toch is het een van de meest kenmerkende klachten bij ontsteking of spanning van de prostaat en het bekkengebied. Bij de zaadlozing trekt het spierweefsel van de klier samen; is dat weefsel geprikkeld, dan voelt u dat vlak erna, soms uren later, in de onderbuik, het gebied tussen balzak en anus, of de balzak zelf.
Pijn die er gewoon is. Een zeurende, drukkende pijn in het bekken, de onderrug, de lies of de balzak die weinig te maken heeft met plassen en die bij lang zitten toeneemt, hoort bij een derde patroon. Daar staat pijn op de voorgrond en het plassen op de achtergrond. Dat beeld wordt vaak chronisch bekkenpijnsyndroom genoemd, en het gaat gewoonlijk niet over met een antibioticumkuur, hoe vaak die ook wordt voorgeschreven.
Waar het precies pijn doet, zegt overigens minder dan mensen hopen. De zenuwbanen in het bekken lopen door elkaar heen en het lichaam wijst de bron slecht aan. Wánneer het pijn doet is bruikbaarder dan wáár.
VIJF DINGEN DIE DE ARTS SOWIESO VRAAGT
Hoe lang bestaan de klachten al, in dagen of in jaren? Is er koorts of koude rilling geweest? Is de urine ooit rood of bruin geweest? Welke medicijnen gebruikt u, inclusief middelen tegen verkoudheid en hooikoorts? En is er ooit een katheter geplaatst of een ingreep in dit gebied verricht? Wie deze vijf antwoorden paraat heeft, wint tijd voor de vragen die er echt toe doen.
Snel of langzaam ontstaan
Het tempo waarin klachten opkomen is misschien wel het krachtigste gegeven dat u zelf kunt aanleveren, en het gegeven dat het vaakst vervaagt. Wie een half jaar wacht met een afspraak, weet meestal niet meer of het in maart of in september begon.
Klachten die zich in dagen opdringen — gisteren nog niets, vandaag branderigheid en om het half uur naar het toilet — wijzen op iets acuuts. Een infectie is dan de eerste gedachte, zeker met koorts erbij. Klachten die zich over maanden tot jaren aandienen, zo geleidelijk dat u het pas merkte toen iemand er iets van zei, passen bij een langzaam proces zoals de groei van de prostaat. Er is een derde tempo: klachten die in golven komen, weken goed en dan weer weken slecht. Dat beloop is op zichzelf een aanwijzing, en het verklaart waarom mensen verbetering zo makkelijk toeschrijven aan wat zij net slikten.
Voor het uit elkaar houden van de drie aandoeningen die hier het vaakst door elkaar lopen — een vergrote prostaat, prostatitis en een blaasontsteking — is dit tempo een van de vier dingen waar de huisarts op let. Die vergelijking staat uitgewerkt in het stuk waarin wij die drie naast elkaar zetten.
De zeven vragen van de IPSS
In vrijwel elke spreekkamer en in vrijwel elk onderzoek naar plasklachten duikt dezelfde vragenlijst op: de International Prostate Symptom Score, kortweg IPSS. Zeven vragen, elk over de afgelopen maand, elk te beantwoorden op een schaal van nul tot vijf. Hoe vaak had u het gevoel dat de blaas niet leeg was. Hoe vaak moest u binnen twee uur opnieuw. Hoe vaak stopte de straal en begon hij opnieuw. Hoe vaak kon u het niet uitstellen. Hoe vaak was de straal slap. Hoe vaak moest u persen om te beginnen. En hoe vaak stond u ’s nachts op. De som loopt van nul tot vijfendertig; grofweg geldt tot zeven als licht, acht tot negentien als matig en twintig en hoger als ernstig. Er hoort een achtste vraag bij die geen punten telt maar in de praktijk zwaar weegt: hoe zou u zich voelen als het de rest van uw leven zo bleef?
De lijst is nuttig omdat hij vage klachten in een getal vertaalt dat u en de arts over een half jaar kunnen vergelijken. Maar de score schommelt uit zichzelf. Dezelfde man die twee keer met een week ertussen invult, zonder dat er iets veranderde, komt gemakkelijk een paar punten hoger of lager uit. In de grotere onderzoeken verbeterden deelnemers die een neppil slikten ruwweg drie tot vier punten, puur door meedoen, opletten en de tijd die verstreek. Daarom wordt pas vanaf ongeveer drie punten van een merkbaar verschil gesproken, en zelfs dat is een vuistregel.
De praktische gevolgtrekking: laat u niet imponeren door een verschil van één of twee punten, van welke kant dat verschil ook komt. Wij passen die maat consequent toe wanneer wij supplementen voor de prostaat beoordelen, want juist daar wordt met kleine verschuivingen in de score geadverteerd alsof ze iets betekenen.
Een week opschrijven, dat is het echte werk
Als u van deze pagina één ding meeneemt, laat het dit zijn. Houd de week voordat u naar de huisarts gaat een korte aantekening bij. Geen dagboek en geen tabel met tien kolommen; een kaartje of een notitie op de telefoon volstaat.
Noteer per dag hoe vaak u overdag naar het toilet ging en hoe vaak ’s nachts. Zet er per keer één woord bij: normaal, slap, wachten, branden. Schrijf op wat het erger maakte, en let daarbij op de avond ervoor, want koffie en alcohol werken bij veel mannen door tot in de nacht — wat daar wel en niet van klopt, staat in ons stuk over koffie, alcohol en de blaas. Noteer ten slotte wat u niet meer doet vanwege de klachten. Dat vertelt de arts het meest over de ernst.
Waarom dit meer oplevert dan het lijkt: het geheugen is slecht in frequenties en uitstekend in uitzonderingen. Gevraagd hoe vaak u ’s nachts opstaat, herinnert u zich vooral de slechte nacht van zaterdag. Op papier ligt het gemiddelde er anders, en soms blijkt de klacht zich tot bepaalde dagen te beperken. Die informatie kan geen arts in tien minuten uit u trekken; u kunt haar wel meebrengen. In de spreekkamer van de uroloog gebeurt hetzelfde een maat groter, met een plasdagboek waarin ook de hoeveelheden staan.
HIERMEE WACHT U NIET
Helemaal niet meer kunnen plassen terwijl de blaas vol en pijnlijk aanvoelt. Koorts met koude rillingen naast pijn in het bekken of de rug. Zichtbaar bloed in de urine, ook als het maar één keer voorkomt en ook als het geen pijn doet. Klachten die in enkele dagen zijn ontstaan bij iemand die zich ziek voelt. Bel in die gevallen dezelfde dag de huisarts of, buiten kantooruren, de huisartsenpost.
Waar dit op neerkomt
U hoeft niet te weten wat u heeft. U hoeft alleen zo te vertellen dat een ander het kan uitzoeken. Zeg of het vooral over de afvoer gaat of vooral over de prikkeling. Zeg wanneer het pijn doet: tijdens het plassen, na de zaadlozing, of los daarvan. Zeg of het in dagen kwam of in jaren. Neem uw aantekening van een week mee, en vermeld uw medicijnen zonder te filteren op wat u relevant acht.
Met die vier gegevens komt de huisarts een heel eind. De rest is werk dat buiten een website valt: urineonderzoek, lichamelijk onderzoek en zo nodig een verwijzing.
Waar dit op gebaseerd is
- NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen, Nederlands Huisartsen Genootschap, over de indeling in obstructieve en irritatieve klachten en het beleid in de eerste lijn.
- Thuisarts.nl, publieksinformatie over plasproblemen bij mannen, plaspijn en bloed in de urine, opgesteld met het Nederlands Huisartsen Genootschap.
- NHG-Standaard Urineweginfecties, Nederlands Huisartsen Genootschap, over de betekenis van acuut ontstane klachten en het urineonderzoek.
- European Association of Urology, richtlijn Management of Non-Neurogenic Male Lower Urinary Tract Symptoms, onder meer over het gebruik van de IPSS en het plasdagboek.
- Farmacotherapeutisch Kompas, hoofdstukken over benigne prostaathyperplasie en over geneesmiddelen die het plassen kunnen bemoeilijken.
- Nederlandse Vereniging voor Urologie, patiënteninformatie over plasklachten bij mannen en het onderzoek daarnaar.